Terug opgedoken in een conversatie onlangs… wat is dit lang geleden. De bitterheid van het gedicht dringt misschien nu pas écht tot me door, veel meer dan toen. De geschiedenis er achter krijg je op wikipedia (meer uitleg op de Engelse paginas).
ik heb het toen vast niet begrepen; nu kan ik het niet lezen zonder dat dikke tranen langs mijn gezicht rollen; wenend om alle onmacht, alle onverwerkte verleden, alle opborrelende gevoelens in herinneringen en in de tekst… zoveel meer dan de woorden.
Kinderen met de krekelstem
Tussen Belgrado en Kragujevac
klopt het hart van het oude Servië.
Bij Topola de prinsen begraven,
in Oplenac de strafste wijn.
Met Ivan in de wagen gezongen,
met Miodrag over liefde gelogen,
even de donkere heuvels beluisterd
maar de partizanen zijn weer thuis.
Dag kinderen met de krekelstem
Kragujevac, wij zwijgen.
De herfst weegt op je platanen,
de schemer vervaagt je gezicht.
Omdat elk weer tot zichzelf inkeert,
als’t hart dat kind, een droomles leert
in mannen die soms schrijven ?
Dag kinderen met de krekelstem.
Waarom zwijgen wij Kragujevac ?
Durf ik het voortvertellen in mijn taal
die ook wel weet hoe in een lied
de woorden voor een stom verdriet
eer men ze schuchter klinken doet,
gezuiverd worden van veel bloed ?
Vertellen zeg ik, vertellen
Er was ééns… neen
Naar een verhaal luisteren kinderen,
zeven, honderd, zevenduizend.
Ze zijn er ééns geweest..
Die nacht.
Parkeer de wagen langs deze landweg
naast het gras onder de dauw
waarin krekels zingen.
Het weiland glooit naar ene diepe beek
het kunnen elzen zijn ginds langs de oever.
Daar staat een eerste ster,
vanavond geen maan, de schijn
die in elk woord moet zijn
ligt hier gedoken onder de zoden..
Het was in ’41. Geen school. Wel oorlog.
Scholen vele, kinderen meer.
Ze waren op school, in de nachtschool.
Wat leren kinderen in de nacht ?
Veel.
Ik heb honger, jij hebt honger.
Zij stellen vragen
Waar is moeder,
Zij is thuis aan tafel
ons brood ligt thuis op de tafel,
waar is de pop, waar is de hond,
zit vader bij de lamp,
luistert vader aan de deur ?
Er is zoveel dat een kind kan vragen,
van pianoles tot lottospel,
van chocolade tot luisterspel,
een kruisje voor het slapen misschien,
een oorlogsbrief van vader misschien,
nog tien minuutjes lezen in ’t boek,
nog even twee nieuwe postzegels kleven,
en dan voor allen aartsvaderlijk de gebloemde nachtpot mee naar boven.
Kinderen met een krekelstem
slapen nu, vlug en lang, lang slapen…
Nooit was de klasse zo vreemd geweest,
de eerste schooldag niet, de laatste schooldag niet.
Zeker, er waren de banken, het bord
het krijt, de inktpot, de landkaart.
De kaart van Servië
kleiner de kaart van Duitsland.
Binnen wordt in ’t Servisch gefluisterd,
buiten wordt gezwegen in ’t Duits.
Er werd zelfs in het Servisch geschreven,
door een meisje van zes,
met potlood een briefje voor moeder :
“Mama, ik wil confituur.”
De nacht duurt lang voor een schoolkind,
als de juffrouw geen liedjes laat zingen,
als de leraar die tijdens de speeltijd rookt
sinds uren langs de muur staat te wachten.
Het verhaal is uit
het wordt klaar door de ruiten,
de geranium ziet zichzelf weer rood,
de schoolplicht ontwaakt uit duizenden ogen,
de les die je vannacht geleerd hebt,
moet je echter voor morgen niet kennen,
voor allen begint de grote vakantie
straks speel je in de eeuwigheid.
Ik die hier voor het weiland sta
wil mijn moedertaal vergeten
als ik nog één zin heb gezegd
opdat gij zoudt weten
Tussen mijn voet en de elzen muur
werden van zeven tot één
die morgen van ‘41
zevenduizend kinderen gemitrailleerd.
Wat ik hoor vanavond in ’t glimmende gras
komt mij niet over de lippen:
kinderen met een krekelstem
werden krekels met een kinderstem.
Karel Jonckheere
